januari 12

onrechtvaardige inbreuk op gezinsleven, art 8 EVRM

Gepost onder admin
Opgeslagen onder europees nieuws | 1 reactie

LJN: BO9924, Gerechtshof ‘s-Gravenhage , 200.063.511/01 Print uitspraak

Datum uitspraak: 11-01-2011
Datum publicatie: 11-01-2011
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Verbod om een uitgeprocedeerd gezin op straat te zetten; waarborg voor opvang, medische verzorging en scholing van de kinderen; verbreking van het gezinsleven leidt i.c. tot een niet gerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Sector handel

Zaaknummer : 200.063.511/01
Rolnummer rechtbank : 363137 / KG ZA 10-426

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 11 januari 2011

inzake

[Naam],
voor zich en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar drie minderjarige kinderen
[Naam],
[Naam],
[Naam],
allen verblijvend te [plaats], gemeente […],
appellanten,
hierna te noemen: de moeder respectievelijk de kinderen of te zamen de [F’s],
advocaat: mr. G.J.W. Pulles te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),
zetelend te ‘s-Gravenhage,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. E.E. van der Kamp te ‘s-Gravenhage.

Het verdere verloop van het geding

Voor de samenvatting van de feiten en de beschrijving van het geding tot het tussenarrest van dit hof van 27 juli 2010 (LJN BN2164) verwijst het hof naar dat tussenarrest. De Staat heeft ter uitvoering van dat arrest een akte (met producties) genomen en de [F’s] hebben daarop bij antwoordakte gereageerd.
Partijen hebben vervolgens opnieuw arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1 In genoemd tussenarrest heeft het hof (rov 3.8) geoordeeld, samengevat, dat het op straat zetten van de kinderen in de gegeven omstandigheden een onrechtmatige gedraging van de Staat jegens hen oplevert en dat verwijdering van hen uit de vrijheidsbeperkende locatie […] (hierna: vbl) alleen geoorloofd is wanneer op andere wijze adequaat in hun dagelijkse verzorging, huisvesting, medische zorg en scholing is voorzien. Het hof heeft vervolgens de Staat in de gelegenheid gesteld voldoende onderbouwd aan te geven welke maatregelen ten uitvoer gebracht zullen worden om te voorzien in passende huisvesting en scholing en voldoende financiële middelen voor de kosten van levensonderhoud en scholing (van de kinderen) in de situatie dat de [F’s] uit de vbl verwijderd zouden mogen worden en hoe de Staat zich voorstelt dat te doen indien aan de moeder geen huisvesting en middelen van bestaan meer zullen worden verstrekt.

2 In zijn akte na tussenarrest (par. 4.4 en 4.5) heeft de Staat gesteld dat, als vast is komen te staan dat een vreemdeling niet voor toelating in Nederland in aanmerking komt, ondersteuning en facilitering slechts op vertrek uit Nederland gericht zijn. Los daarvan wordt geen onderdak verleend. Bij de beëindiging van het recht op opvang van ouders eindigt dat ook voor hun minderjarige kinderen. In dit geval houdt de beëindiging van de opvang in de vbl voor de [F’s] dan ook de beëindiging daarvan in voor moeder èn kinderen. Volgens de Staat betekent dat niet dat hij zich het lot van de minderjarige kinderen niet aantrekt. Maar de Staat stelt dat daaraan op andere wijze invulling zal worden gegeven en wel door een mede in het openbaar belang te treffen maatregel van kinderbescherming; meer concreet: plaatsing in een pleeggezin of residentiële zorginstelling.
De Staat is bereid aan een dergelijke maatregel medewerking te verlenen, mits die recht doet aan de verblijfsrechtelijke positie van de kinderen, tijdelijk van aard is en hun vertrek of uitzetting uit Nederland niet doorkruist. De maatregel zal er niet toe leiden dat ook aan moeder [F] onderdak wordt verleend (par. 4.15 en 4.16). De Staat heeft een brief van de Raad voor de Kinderbescherming overgelegd waarin wordt uiteengezet op welke wijze hulpverlening en/of opvang voor de kinderen zou kunnen worden geregeld dan wel een voorlopige kinderbeschermingsmaatregel met machtiging uithuisplaatsing kan worden verzocht en vervolgens ondertoezichtstelling.
De te treffen maatregel van kinderbescherming zal niet met zekerheid aansluiten op de verwijdering van de [F’s] uit de vbl (par. 4.6). Daarvoor is de inschakeling van Bureau Jeugdzorg nodig en/of een beslissing van de kinderrechter. Of de door de Staat genoemde maatregelen tot opvang en verdere verzorging van de kinderen kunnen leiden hangt daarmee af van de medewerking van moeder [F] dan wel van de beslissing van de kinderrechter; dit zijn omstandigheden die de Staat, zoals hij zelf stelt, niet in de hand heeft. Bij de door de Staat voorgestelde wijze van opvang van de kinderen na verwijdering uit de vbl zullen zij in ieder geval van hun moeder worden gescheiden.

3 De thans door het hof te beantwoorden vraag is of de verwijdering van de [F’s] uit de vbl onder die omstandigheden geoorloofd is.
Uitgangspunt daarbij is
a) dat aan de [F’s] definitief toelating tot Nederland geweigerd is, dat zij geen aanspraak op verder verblijf in Nederland kunnen maken en dat hun aanwezigheid alhier daarom tijdelijk is, in afwachting van hun – vrijwillig of door de Staat gedwongen – vertrek en
b) dat, zoals het hof in het tussenarrest heeft beslist, op de Staat de rechtsplicht rust ervoor te zorgen dat voor de kinderen [F] (zolang) adequaat in de dagelijkse verzorging, huisvesting, medische zorg en scholing is voorzien.

4 De [F’s] hebben bij antwoordakte na tussenarrest onder meer aangevoerd dat de door de Staat voorgestelde wijze van opvang van de kinderen in strijd zal zijn met het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op familie- en gezinsleven.
Het hof overweegt daarover als volgt.

4.1 Het lijdt geen twijfel dat moeder en kinderen [F] gezamenlijk een familie- en gezinsleven hebben. Moeder [F] is in 2001 met haar oudste zoon in Nederland aangekomen en heeft sedertdien steeds in gezinsverband geleefd, met hem en daarna ook haar twee later geboren kinderen. Het bestaan van een familie- en gezinsleven wordt ook niet door de Staat ontkend. De door de Staat voorgestelde wijze van opvang van de kinderen leidt tot scheiding van kinderen en moeder en vormt daarom een inbreuk op hun recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8, lid 1 EVRM. Een dergelijke inbreuk is niet geoorloofd, tenzij die gerechtvaardigd zou zijn omdat zij voldoet aan de vereisten van het tweede lid van artikel 8 EVRM.

4.2 Aan het vereiste dat de inbreuk is gebaseerd op een wettelijke regeling wordt voldaan, omdat formeel de scheiding van moeder en kinderen [F] zal geschieden door de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, die bij wet vastgelegd zijn.

4.3 Het hof kan in het midden laten of, zoals door de [F’s] is gesuggereerd, met de inbreuk geen legitiem doel wordt nagestreefd, omdat het hof van oordeel is dat de inbreuk niet voldoet aan het vereiste dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Volgens de jurisprudentie van het EHRM gaat het daarbij om de vraag of een “fair balance” bestaat tussen de conflicterende belangen van het individu en van de samenleving als geheel. Aan de nationale overheid wordt daarbij een zekere beoordelingsvrijheid gegeven, maar voor de verbreking van een gezinsleven bestaan strenge eisen (EHRM 19-02-1996 Gül-Zwitserland). Het belang (“the best interests”) van het kind speelt een cruciale rol (EHRM 12-07-2001 K&T-Finland).
Het EHRM heeft meer dan eens geoordeeld dat de aanspraak van vreemdelingen op de bescherming van hun familie- en gezinsleven in hun gastland beperkingen heeft. Artikel 8 EVRM legt aan staten niet de verplichting op om de keuze van een vreemdeling te respecteren om in het land van een familielid zijn familieleven te leiden (bijv. EHRM 05-09-2000, Solomon-Nederland). Aan niet rechtmatig in een land verblijvende vreemdelingen komt slechts in uitzonderingsgevallen een beroep op recht op gezinsleven van artikel 8 EVRM toe om uitzetting te voorkomen (bijv. EHRM 01-06-2010, Mawaka-Nederland).
In de onderhavige zaak gaat het echter niet om de vraag of de [F’s] in Nederland mogen blijven (vast staat dat zij geen verblijfstitel in Nederland hebben en het land dienen te verlaten), maar om de vraag hoe de kinderen, die niet door de Staat op straat mogen worden gezet, gedurende de in beginsel beperkte tijd dat hun uitzetting nog niet mogelijk is, het beste kunnen worden opgevangen en of in die omstandigheden verbreking van het gezinsverband, te weten scheiding van hun moeder, “noodzakelijk” is.
Het hof hecht aan de ene kant waarde aan het feit dat het familieverband van moeder en kind(eren) in Nederland thans ruim negen jaar onafgebroken heeft geduurd; dat het om deels nog zeer jonge kinderen gaat, van wie twee met gezondheidsproblemen; dat die kinderen voor hun verzorging steeds op hun moeder aangewezen zijn en dat gesteld noch gebleken is dat de moeder tot nog toe in de zorg voor haar kinderen tekortgeschoten is.
Het hof ziet aan de andere kant het belang van de Staat om zijn vreemdelingenbeleid ten uitvoer te kunnen leggen en ook, in verband daarmee, zijn belang dat pogingen om uitgeprocedeerde vreemdelingen uit Nederland te doen vertrekken niet worden gefrustreerd door gebrek aan medewerking bij het verkrijgen van reisdocumenten.
Het hof ziet echter niet in hoe dat belang wordt gediend door de kinderen uit hun gezinsverband met de moeder te halen en in een pleeggezin of residentiële zorginstelling te laten verzorgen. Als drukmiddel om de moeder te bewegen aan het verkrijgen van uitreisdocumenten mee te werken mag de scheiding van de kinderen uiteraard niet worden gebruikt en de Staat heeft dat dan ook terecht niet aangevoerd.
De door de Staat voorgestelde maatregelen waarbij de kinderen van hun moeder worden gescheiden en in een pleeggezin of residentiële zorginstelling worden ondergebracht acht het hof voor die in beginsel beperkte periode dan ook een disproportionele inbreuk op het recht van de kinderen op voortzetting van hun gezinsleven.

5 De conclusie is dan ook dat de beëindiging van het verblijf in de vbl van moeder èn kinderen [F] op de door de Staat genoemde wijze in strijd is met de rechtsplicht van de Staat om voor de kinderen in adequate opvang en verzorging te voorzien met eerbiediging van hun recht op hun familie- en gezinsleven. Weliswaar komt aan moeder [F] zelf geen aanspraak toe op langer verblijf in de vbl, maar de aanspraak van haar kinderen brengt mee dat ook haar verblijf in de vbl op de huidige voet dient te worden geaccepteerd. Omdat de aanspraak van de kinderen op opvang gebaseerd is op het feit dat zij minderjarig zijn, duurt de verplichting van de Staat in ieder geval niet langer dan de duur van hun minderjarigheid.
De Staat zal de kinderen Ferriera daarom in de gelegenheid moeten stellen hun verblijf in de vbl op de huidige voet, dus tesamen met hun moeder, en met de tot nu toe geboden voorzieningen van verzorging en scholing, voort te zetten, totdat de opvang van de kinderen op andere wijze is geregeld met inachtneming van hun recht op continuering van hun gezinsleven met hun moeder of totdat zij – gezamenlijk met hun moeder – het land (of de vbl) verlaten.

6 De Staat heeft aangevoerd dat hem beleidsvrijheid toekomt bij de wijze waarop hij aan de positieve verplichtingen die uit – in dit geval – het IVRK, het ESH en het EVRM voortvloeien, invulling geeft en dat het hof dat heeft miskend door te oordelen dat het op straat zetten van de kinderen onrechtmatig is.
Het hof heeft niet de ambitie en is uiteraard ook niet in staat om te bepalen hoe de Staat die op de verdragen gebaseerde verplichtingen moet implementeren.
Het heeft in deze zaak ook niet te bepalen hoe de Staat zijn vreemdelingenwetgeving en -beleid inricht, maar het hof heeft wel de taak te oordelen of in een concreet aan hem voorgelegd geval de uitwerking van dat beleid strookt met in verdragen of intern (ongeschreven) recht neergelegde verplichtingen.
Het hof heeft aldus – wat de bescherming van de minderjarige kinderen [F] betreft – geoordeeld dat ook naar Nederlands intern recht het op straat zetten van hen, zonder dat voorzien is in onderdak en middelen van bestaan en verzorging, onrechtmatig jegens hen is en oordeelt thans dat onder de omstandigheden van dit geval het uit elkaar halen van moeder en kinderen een niet gerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM oplevert en niet kan gelden als een aanvaardbaar alternatief voor de voortzetting van hun verblijf in de vbl.

7 De [F’s] hebben hun vordering in eerste instantie vermeerderd – en die vermeerdering in hoger beroep gehandhaafd – met de eis de Staat te verbieden zonder daartoe strekkend gerechtelijk vonnis hun woonruimte te betreden. De voorzieningenrechter heeft die vordering in rov 3.7. afgewezen met de motivering dat het verblijf in de vbl een gedwongen verblijf is op grond van artikel 56 lid 1 Vw 2000 en dat in die omstandigheid van woonrecht geen sprake is. Tegen dat oordeel hebben de [F’s] geen grief gericht. In het enkele handhaven van die eis leest het hof (en kennelijk ook de Staat, die er niet op reageert) geen grief. Voor toewijzing in hoger beroep is daarom geen ruimte.

8 De slotsom is dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd en dat de vorderingen van de [F’s] zullen worden toegewezen. De kosten van de procedure in eerste instantie en in hoger beroep komen voor rekening van de Staat, die overwegend in het ongelijk is gesteld. Het hof gaat ervan uit dat de Staat de uitspraak van het hof zal naleven en zal daarom niet de gevorderde dwangsommen opleggen.

Beslissing

Het hof:

– vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

– verbiedt de Staat om de [F’s] uit de opvang (vbl Ter Apel) te verwijderen;

– beveelt de Staat om de [F’s] op de huidige voet onderdak en leefgeld te blijven verstrekken zolang de kinderen [F] minderjarig zijn, zij zich op het grondgebied van de Staat bevinden en onder diens rechtsmacht vallen en zolang niet op andere wijze in gelijkwaardige opvang zal zijn voorzien;

– veroordeelt de Staat in de kosten van beide instanties, tot op deze uitspraak aan de zijde van de [F’s] begroot op
– in eerste instantie € 87,93 voor kosten deurwaarder, € 263,- voor griffierecht en € 816,- voor salaris advocaat, dus in totaal € 1.166,93, en
– in hoger beroep € 87,93 voor kosten deurwaarder, € 314,- voor griffierecht en € 894,- voor salaris advocaat, dus in totaal € 1.295,93,
waarvan te voldoen:
(a) aan de griffier van de rechtbank te ‘s-Gravenhage € 1.101,18, te weten € 87,93 voor kosten deurwaarder, € 197,25 voor in debet gesteld griffierecht en € 816,- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv,
(b) aan de griffier van het hof € 1.217,43, te weten € 87,93 voor kosten deurwaarder, € 235,50 voor in debet gesteld griffierecht en € 894,- voor salaris advocaat, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv, en
(c) aan de [F’s] € 65,75 voor niet in debet gesteld griffierecht in eerste instantie en € 78,50 voor niet in debet gesteld griffierecht in hoger beroep;

– wijst af het anders of meer gevorderde;

– verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, J.C.N.B. Kaal en D.J. de Brauw en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2011 in aanwezigheid van de griffier.

Uw reactie is gepost op woensdag, januari 12th, 2011 om 1:22 pm en is opgeslagen onder europees nieuws. Reacties hierop kunnen gevolgd worden via de RSS 2.0 feed. Pinging en/of een reactie achterlaten is momenteel niet mogelijk.

1 antwoord aan “onrechtvaardige inbreuk op gezinsleven, art 8 EVRM”

  1. admin op januari 12th, 2011 om 1:23 pm

    Geen Kind op Straat!

    Een coalitie van Amnesty International, Defence for Children-ECPAT, INLIA, Kerk in Actie, LOS, Stichting Kinderpostzegels Nederland, Raad van Kerken in Nederland, UNICEF Nederland en VluchtelingenWerk Nederland.

    PERSBERICHT

    11 januari 2011

    Coalitie Geen Kind op Straat opgetogen over uitspraak Haags Hof

    Staat moet kinderen samen met ouders opvangen

    Het Gerechtshof in Den Haag heeft het de Nederlandse Staat verboden een uitgeprocedeerde Angolese moeder met haar kinderen op straat te zetten vanuit vertrekcentrum Ter Apel. De Staat wilde de kinderen wel opvangen, maar de moeder niet. Dat is een disproportionele inbreuk op het recht op gezinsleven, zo oordeelt het Hof. De coalitie Geen Kind op Straat is opgetogen dat het Gerechtshof in Den Haag hiermee erkent dat het recht op gezinsleven voor deze kinderen zwaarder weegt dan de belangen van de overheid. Verder wijst het Hof erop dat het scheiden van kinderen en ouders niet als pressiemiddel mag worden ingezet bij het uitzettend van gezinnen.

    Voorgeschiedenis

    Het gaat in deze zaak om een Angolese moeder die met haar drie kinderen op de vrijheidsbeperkende locatie Ter Apel verblijft. De moeder is al negen jaar in Nederland, haar oudste kind was twee jaar toen ze Angola ontvluchtte. De andere twee kinderen zijn in Nederland geboren. Ter Apel is een vertrekcentrum van waaruit uitgeprocedeerde asielzoekers hun terugkeer naar het land van herkomst voorbereiden. Omdat het de Dienst Terugkeer & Vertrek van het Ministerie van Justitie niet was gelukt om de moeder uit te zetten, wilde de overheid de moeder en de kinderen op straat zetten. In een tussenarrest van 27 juli 2010 had het Gerechtshof al gezegd dat het op straat zetten van de kinderen als inhumaan en daarom onrechtmatig moet worden beschouwd en dat dat in strijd zou zijn met het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind, het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens, het Europees Sociaal Handvest en ook met het Nederlands recht. Daarop had de Nederlandse overheid geantwoord dat de kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel van hun moeder gescheiden zouden kunnen worden. De kinderen zouden dan wel opgevangen worden, hun moeder niet.

    De Nederlandse Staat had in reactie op het tussenarrest gezegd dat de overheid vrij is om invulling te geven aan de verplichtingen uit mensenrechtenverdragen. Het Hof wijst er echter op dat het de taak van de rechter is om in individuele gevallen te toetsen of de uitwerking van het beleid strookt met de verdragsverplichtingen.

    Geen scheiding kind en ouder
    In de uitspraak van vandaag stelt het Hof dat kinderen en ouders op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet gescheiden mogen worden. De belangen van de overheid om het vreemdelingenbeleid uit te voeren wegen in dit geval minder zwaar dan die van de kinderen om samen met hun moeder opgevangen te worden.

    Tot slot zegt het Hof nadrukkelijk dat het scheiden van kinderen en ouders niet als drukmiddel mag worden gebruikt: “Als drukmiddel om de moeder te bewegen aan het verkrijgen van uitreisdocumenten mee te werken mag de scheiding van de kinderen uiteraard niet worden gebruikt (…)”. In terugkeergesprekken komt dit wel steeds aan de orde. Toen Minister Leers van Immigratie & Asiel hier onlangs op aangesproken werd, antwoordde hij dat de overheid hiermee slechts voldoet aan zijn informatieplicht. De kinderen in de vrijheidsbeperkende locatie Ter Apel leven nu voortdurend met de angst elk moment van hun ouders gescheiden te kunnen worden. Dat moet per 11-1-11 afgelopen zijn.

    Hoe nu verder?
    De coalitie ‘Geen kind op straat’ is mening dat de overheid onmiddellijk gehoor dient te geven aan de uitspraak. In een eerdere notitie deed de coalitie al enkele voorstellen voor opvang van deze gezinnen. Zo zou aan opvang in terugkeerhuizen gedacht kunnen worden. De coalitie verwacht in ieder geval dat, hoe onderdak ook geregeld gaat worden, de overheid het belang van het kind nu voorop zet.

    Noot voor de redactie

    Klik hier voor de uitspraak

    Woordvoerders coalitie Geen Kind op Straat:

    Carla van Os, Defence for Children: 071 516 09 80 of 06 2000 3200

    Annemieke Bots, Vluchtelingenwerk Nederland: 020 3467 208 of 06 51 85 01 95

    John van Tilborg, INLIA: 050 313 73 71

    John van Tilborg, LOGO gemeenten: 050 311 84 85

    Klik hier voor de nota Opvang Uitgeprocedeerde Gezinnen van de Coalitie.

    http://www.geenkindopstraat.nl

    Carla van Os | kinderrechten & migratie | Defence for Children – ECPAT Nederland
    Kinderrechtenhuis | Hooglandse Kerkgracht 17-G | 2312 HS Leiden | Postbus 11103 | 2301 EC Leiden
    T: +31 (0)71 516 09 80 | M: +31 (0)6 2000 3200 | F: +31 (0)71 516 09 89

    Werkdagen: maandag, woensdag en donderdag.

    =